Omhoog Daniël 2 en 7 Daniël 8 en 9 Daniël 10 t/m 12

Geloven volgens de Bijbel

De Bijbel als de bron en het ijkpunt


Maranatha! Kom, Here Jezus!


Daniël en zijn betekenis voor deze tijd, deel 3:

Hoofdstukken 10 t/m 12


Daniël geeft in de hoofdstukken 10 tot en met 12 opnieuw een overzicht van de toekomst. Echter nu gaat het vooral om de geschiedenis van het volk Israël en het Midden-Oosten.

Kernvers in het verhaal is hoofdstuk 10, vers 14:

"Ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het laatst der dagen overkomen zal; want wederom is het een gezicht aangaande de toekomst".

In het hieronder volgende schema volgt een overzicht van de profetie en de betekenis, die uit de geschiedenis blijkt.

Alhoewel er veel details worden gegeven, die in de hoofdstukken 2,7,8 en 9 niet worden vermeld, zijn toch weer drie van de vier wereldrijken te herkennen, namelijk:

Medo-Perzië,

Griekenland met de verdeling in vieren (Seleucidische rijken) en

Rome inclusief Westeuropa met het pausdom.

Babylon speelde op het moment, dat de profetie werd gegeven, geen rol van betekenis meer.

U gelieve zelf uw bijbel er naast te hebben om de betreffende teksten te lezen en daarna de uitleg.



Schema Daniël 11-12

Daniël 11:1-2

Na Darius komen nog vier koningen, waarvan de laatste een oorlog met Griekenland zal beginnen.


Daniël 11:3.

Uit de geschiedenis blijkt, dat hier Alexander de Grote op het toneel verschijnt, die het Griekse rijk sticht, maar die helaas op 33 jarige leeftijd al sterft.


Daniël 11:4-13

Na de dood van Alexander de grote streden zijn generaals om de verdeling van het gebied. Na een strijd van meer dan twintig jaar bleven er uiteindelijk vier generaals over, die elk een stuk van het rijk gingen beheersen.


In de rest van de profetie gaat het over twee van die vier rijken, die respectievelijk ten Zuiden en ten Noorden van het land Palestina lagen. (Zeg maar Egypte en Syrië).

Deze twee liggen bijna voortdurend met elkaar overhoop. Vers zes beschrijft een poging van de twee om vrede te sluiten door middel van een huwelijk. Maar als die poging eindigt in de dood van de dochter van de koning van het Zuiden, trekt haar broer op tegen de koning van het Noorden en met succes. Daarna blijft het hommeles tussen de twee landen


Daniël 11:14-22

Vanaf hier komt een nieuwe koning van het Noorden in beeld: Rome. Waarom zijn de Romeinen de brekers van uw volk (Israël)? Zij doden de Messias (de vorst van het verbond, vers 22), verwoesten Jeruzalem en de tempel en verdrijven de Joden uit hun land.


Daniël 11:23-24.

De macht van de Romeinen zou een tijd duren. Na analogie van andere profetieën zou dit dus 360 jaar zijn. Deze tijd loopt vanaf de kapitulatie van Egypte in 31 voor Christus tot 330 na Christus, het jaar, waarin Constantijn Rome verliet en zijn zetel in Constantinopel vestigde.


Daniël 11:25-30

Dit gedeelte spreekt over de kruistochten onder leiding van de bisschop van Rome, die binnen de kerk de macht had overgenomen. Maar de laatste kruistocht was niet zoals de eerste (vers 29). De Moslims hadden hulp van Griekse marineschepen tegen de legers van het westen (schepen der Kittiërs, vers 30)


Daniël 11:31-39

Na de kruistochten is er een bepaalde tijd geen strijd meer tussen het christendom (de nieuwe koning van het Noorden) en de islam (de nieuwe koning van het Zuiden). Verder wordt in deze verzen o.a. beschreven, dat het heiligdom wordt verwoest en dat het dagelijks offer wordt gestopt. Maar ook, dat er in die moeilijke tijden een volk zal zijn, dat zijn God kent. En dat de verstandigen velen tot inzicht zullen brengen. Gods boodschap zal ook dan worden gebracht. Maar Gods volk zal "een tijd lang" struikelen onder vervolging. In Dan. 12:7 wordt deze tijd nader aangeduid als "een tijd, tijden en een halve tijd" net als in Dan. 7:25 en Openb. 12:14. Vers 38 spreekt over paus Julius II, zie zelfs een eigen leger had. De god die zijn vaderen niet gekend hebben, doelt op Maria, waarvan de verering toen opkwam.


Daniël 11:40-45

Vanaf vers 40 gaat het over de eindtijd. Deze verzen spreken dus over de laatste gebeurtenissen in het Midden-Oosten (vlak) voor de wederkomst van Christus. Vers 41 spreekt over het binnenvallen van het Sieraadland (Palestina). Vers 45 spreekt over het gebied tussen de (Middellandse) zee en de berg van het heilig Sieraad (de tempel).


Daniël 12:1

De grote benauwdheid, die over het volk komt, wordt opgelost door ingrijpen van Michaël, de grote vorst. Michaël is ongetwijfeld de naam, waarmee Christus wordt aangeduid.


Daniël 12:2

Hier wordt gesproken van twee opstandingen; de ene tot eeuwig leven, de andere tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. Het is dus een illusie, dat alle mensen toegang krijgen tot de nieuwe aarde en de eeuwigheid.


Daniël 12:11 en 12

Met de gruwel, die verwoesting brengt wordt ongetwijfeld de Al-Aksa moskee bedoeld. Gerekend vanaf haar jaar 658, waarin deze gebouwd werd, lopen de 1290 jaar tot aan 1948, het jaar waarin de staat Israël werd opgericht. De 1335 jaar lopen dan tot 1993, het jaar waarin twee opmerkelijke feiten plaatsvonden: In de laatste week van het joodse jaar werd op 21 september 1993 de eerste stap gezet in het vredesproces voor het Midden-Oosten. In de laatste week van het christelijke jaar 1993 werden de stukken getekend, waarin het Vaticaan het bestaansrecht van de staat Israël erkent.

1993 is kennelijk een jaar, waarin de laatste profetie van Daniël zijn vervulling vindt.

Inmiddels zijn we nu vele jaren verder. Naderen wij met rasse schreden het moment, waarop Christus als Koning  der koningen zal terugkeren om zijn trouwe volgelingen op te halen?


Waarom zijn de "een tijd, tijden en een halve tijd"(3,5 jaar) uit Dan. 12:7 geen drie en half jaar, maar 3,5 x 360 = 1260 echte jaren? Daarvoor zijn een aantal argumenten.


  1.  In Daniël 12:4 staat "Maar gij, Daniël, houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen".  Vanuit Daniël gerekend reiken 3,5 echte jaren niet tot de eindtijd, want we zijn inmiddels bijna 2700 jaar later in de geschiedenis.
  1. In Numeri 14:34 wordt al een voorbeeld gegeven van het dag=jaar principe. "Overeenkomstig het aantal dagen, gedurende gij het land verspied hebt, veertig dagen, zult gij uw ongerichtigheden veertig jaar lang boeten, voor elke dag één jaar". Ezechiël 4:6 leert: "dan zult gij de ongerechtigheid dragen van het huis van Juda; voor elk jaar leg Ik u een dag op".
  2. Als het principe niet wordt toegepast, is er geen redelijke uitleg van de profetieën mogelijk.